Eerste Deel
Hoofdstuk Een.
Van dingen zijn sommige in onze macht, en andere niet. In onze macht zijn mening, neiging naar iets, verlangen, afkeer; en in een woord, wat maar onze eigen handelingen zijn: niet in onze macht zijn het lichaam, eigendom, reputatie, ambten (bestuursmacht), en in een woord, wat niet onze eigen handelingen zijn. En de dingen in onze macht zijn van nature vrij, niet onderworpen aan belemmering noch hindering: maar de dingen niet in onze macht zijn zwak, slavernij onderhevig, onderworpen aan belemmering, in de macht van anderen. Onthoud dus dat als je de dingen die van nature slavernij onderhevig zijn voor vrij houdt, en de dingen die in de macht van anderen zijn voor je eigen houdt, je zult worden belemmerd, je zult betreuren, je zult verstoord zijn, je zult zowel goden als mensen verwijten: maar als je alleen dat wat je eigen is voor je eigen houdt, en als je denkt dat wat van een ander is, zoals het werkelijk is, aan een ander toebehoort, zal geen mens je ooit dwingen, geen mens zal je belemmeren, je zult nooit iemand verwijten, je zult niemand beschuldigen, je zult niets tegen je wil doen, geen mens zal je schaden, je zult geen vijand hebben, want je zult geen schade ondergaan.
Als je dan zulke grote dingen nastreeft, onthoud dan dat je je daar niet aan mag proberen vast te grijpen met geringe inspanning; maar je moet sommige dingen geheel achterwege laten, en andere nu voor het moment uitstellen. Maar als je ook naar deze dingen verlangt (zulke grote dingen), en macht (ambt) en rijkdom, misschien zul je zelfs deze dingen niet verkrijgen (macht en rijkdom) omdat je ook naar die vorige dingen streeft (zulke grote dingen): zeker zul je in die dingen falen waardoor alleen geluk en vrijheid worden beveiligd. Oefen jezelf dan onmiddellijk in het zeggen tegen elke harde voorstelling, 3 Jij bent een voorstelling, en op geen enkele wijze bent je wat je lijkt te zijn. Onderzoek het dan volgens de regels die je bezit, en met dit eerste en vooral, of het betrekking heeft op dingen die in onze macht zijn of op dingen die niet in onze macht zijn: en als het betrekking heeft op iets dat niet in onze macht is, zorg dan dat je kunt zeggen, dat het je niet aangaat.
Hoofdstuk Twee.
Onthoud dat verlangen in zich de hoop bevat om dat te verkrijgen wat je verlangt; en de hoop in afkeer (wegdraaien van iets) is dat je niet zult vallen in dat wat je probeert te vermijden: en hij die in zijn verlangen faalt, is ongelukkig; en hij die valt in dat wat hij zou willen vermijden, is ongelukkig. Als je dan alleen probeert te vermijden de dingen tegen de natuur in die binnen je macht zijn, zul je niet betrokken raken in iets wat je zou willen vermijden. Maar als je probeert te vermijden ziekte of dood of armoede, zul je ongelukkig zijn. Verwijder dus afkeer van alle dingen die niet in onze macht zijn, en draag het over naar dingen tegen de natuur in die in onze macht zijn. Maar vernietis verlangen geheel voor nu. Want als je iets verlangt dat niet in onze macht is, moet je ongelukkig zijn: maar van de dingen in onze macht, en die goed zouden zijn om te verlangen, is nog niets voor je aanwezig. Maar gebruik alleen het vermogen om naar iets toe te gaan en je daarvan terug te trekken; en deze vermogens inderdaad slechts licht en met uitzonderingen en met verslapping. 4
Hoofdstuk Drie.
In alles wat de ziel aangenaam is, of een behoefte vervult, of bemind is, onthoud dan dit eraan toe te voegen aan de (beschrijving, notie); wat is de aard van elk ding, te beginnen met het kleinste? Als je van een aarden vat houdt, zeg dan dat het een aarden vat is waarvan je houdt; want wanneer het is gebroken, zul je niet verstoord zijn. Als je je kind of vrouw kust, zeg dan dat het een menselijk wezen is dat je kust, want wanneer de vrouw of het kind sterft, zul je niet verstoord zijn.
Hoofdstuk Vier.
Wanneer je iets gaat ondernemen, herinner jezelf welk soort handeling het is. Als je gaat baden, zet jezelf voor wat er in het bad gebeurt: sommigen spetteren water, anderen duwen tegen elkaar, anderen schelden elkaar uit, en sommigen stelen: en dus zul je veiliger de zaak ondernemen, als je jezelf zegt, Ik ben nu van plan te baden, en mijn wil op een manier in overeenstemming met de natuur te handhaven. En zo zul je in elke handeling doen: want dus als enige hindering voor het baden zich voordoet, laat deze gedachte bereid zijn: dit alleen was mijn voornemen niet, maar ik had ook het voornemen om mijn wil op een manier in overeenstemming met de natuur te handhaven; maar ik zal het niet zo handhaven, als ik verstoord ben over wat gebeurt.
Hoofdstuk Vijf.
Mannen worden niet verontrust door de dingen die gebeuren, maar door de meningen over de dingen: bijvoorbeeld is de dood niet verschrikkelijk, want als dat zo was, zou het Socrates zo hebben toegeschenen; want de mening over de dood, dat zij verschrikkelijk is, dat is het verschrikkelijke. Wanneer wij dus gehinderd of verontrust of bedroefd zijn, laten wij nooit anderen beschuldigen, maar onszelf, dat wil zeggen onze meningen. Het is het werk van een slecht onderricht mens anderen te beschuldigen voor zijn eigen slechte toestand; het is het werk van iemand die begonnen is onderwezen te worden, de schuld op zichzelf te leggen; en van iemand wiens onderricht voltooid is, noch een ander te beschuldigen, noch zichzelf.
Hoofdstuk Zes.
Wees niet verheven over enig voordeel (voortreffelijkheid) dat van een ander afkomstig is. Als een paard wanneer het verheven is zou zeggen: ik ben schoon, zou men het kunnen verdragen. Maar wanneer gij verheven bent en zegt: ik heb een schoon paard, gij moet weten dat gij verheven bent over het hebben van een goed paard. Wat is dan het uwe? Het gebruik van voorstellingen. Daarom wanneer gij in het gebruik van voorstellingen natuurwettig handelt, wees dan verheven, want dan zult gij verheven zijn over iets goeds dat het uwe is.
Hoofdstuk Zeven.
Zoals op een reis wanneer het schip in een haven aangekomen is, als gij uitgaat om water te halen, het een amusement onderweg is om een schelp of enige bol op te rapen, maar uw gedachten dienen gericht te zijn op het schip, en gij dient voortdurend te letten of de kapitein zou roepen, en dan moet gij al die dingen werpen, opdat gij niet gebonden en in het schip geworpen zoudt worden als schapen: zo ook in het leven, als u in plaats van een kleine bol en een schelp een vrouw en kind gegeven worden, zal daar niets zijn dat dit verhindert. Maar als de kapitein roept, loopt naar het schip en verlaat al die dingen zonder erop te letten. Maar als gij oud zijt, ga niet eens ver van het schip af, opdat wanneer gij geroepen zijt, gij niet in gebreke blijft.
Hoofdstuk Tien.
Bij gelegenheid van elk ongeval dat u overkomt, herdenk eraan jezelf tot je aan te wenden en onderzoek welke macht gij hebt om het ten nutte te maken. Als gij een schoon man of een schone vrouw ziet, zult gij bevinden dat de macht tot weerstand matigheid is. Als arbeid of pijn u wordt voorgesteld, zult gij bevinden dat het volharding is. Als het beledigende woorden zijn, zult gij bevinden dat het geduld is. En als gij zo tot de juiste gewoonte gevormd bent, zullen de voorstellingen u niet meeslepen.
Hoofdstuk Elf.
Zeg nooit van iets: ik heb het verloren, maar zeg: ik heb het teruggebracht. Is uw kind dood? Het is teruggebracht. Is uw vrouw dood? Zij is teruggebracht. Is uw bezit van u genomen? Is dit ook niet teruggebracht? Maar hij die het van mij genomen heeft, is een slechte mens. Maar wat gaat het u aan, door wiens handen de gever het terugeiste? Zolang als hij het u toestaat, zorg ervoor als voor iets dat van een ander is, zoals reizigers dat doen met hun herberg.
Hoofdstuk Twaalf.
Als gij van plan zijt jezelf te verbeteren, werpt zulke gedachten weg: als ik mijn zaken verwaarlooz, zal ik niet de middelen hebben om te leven: tenzij ik mijn slaaf tuchtig, zal hij slecht zijn. Want het is beter van honger te sterven en zo van verdriet en vrees bevrijd te worden dan in overvloed te leven met onrustigheid; en het is beter voor uw slaaf slecht te zijn dan voor u ongelukkig te zijn. Begin dus met kleine dingen. Is de olie gemorst? Is een beetje wijn gestolen? Zeg bij gelegenheid: voor zo'n prijs wordt vrijheid van onrustigheid verkocht; voor zo'n prijs wordt rust verkocht, maar niets wordt voor niets verkregen. En wanneer gij uw slaaf roept, bedenk dat het mogelijk is dat hij niet hoort; en als hij hoort, zal hij niets doen wat gij wenst. Maar de zaken staan niet zo goed met hem, maar geheel goed met u, dat het in zijn macht zou zijn dat gij niet verstoord zou worden.
Deel Twee
Hoofdstuk Dertien.
Als gij jezelf zou verbeteren, onderworp jezelf eraan als zonder verstand en dwaas te worden geacht met betrekking tot uitwendige dingen. Wens geacht te worden niets te weten: en als gij aan sommigen een persoon van belang zult schijnen, wantrouw jezelf. Want gij dient te weten dat het niet gemakkelijk is zowel uw wil in een toestand natuurwettig als uitwendige dingen veilig te stellen: maar als een mens zorgvuldig voor de ene zorgt, is het een absolute noodzakelijkheid dat hij de andere zal verwaarlozen.
Hoofdstuk Veertien.
Als je wilt dat je kinderen en je vrouw en je vrienden voor altijd leven, ben je dwaas; want je wilt dat dingen die niet in je macht liggen in je macht zijn, en dat dingen die van anderen zijn van jou zijn. Dus als je wilt dat je slaaf zonder fouten is, ben je een dwaas; want je wilt dat slechtheid geen slechtheid is, maar iets anders. 9 Maar als je niet in je verlangens wilt falen, kun je dat doen. Oefen jezelf dan in datgene wat je kunt doen. Degene is de meester van elke mens die macht heeft over de dingen waar een ander persoon naar verlangt of niet naar verlangt, de macht om ze hem te geven of ze van hem af te nemen. Wie dan vrij wil zijn, laat hem niet naar iets verlangen en niets vermijden wat van anderen afhangt: als hij zich niet aan deze regel houdt, moet hij een slaaf zijn.
Hoofdstuk Vijftien.
Onthoud dat je in het leven je moet gedragen als bij een banket. Stel dat iets wordt rondgereikt en voor je ligt. Strek je hand uit en neem een portie met waardigheid. Stel dat het voorbijgaat. Hou het niet tegen. Stel dat het nog niet bij je is aangekomen. Stuur je verlangen er niet naar uit, maar wacht tot het voor je ligt. Doe hetzelfde met betrekking tot kinderen, zo met betrekking tot een vrouw, zo met betrekking tot magistraatsamten, zo met betrekking tot rijkdom, en je zult op zekere moment een waardige deelnemer van de banketten der goden zijn. Maar als je geen van de dingen neemt die voor je worden neergelegd, en ze zelfs veracht, dan zul je niet alleen een medebanketteerder van de goden zijn, maar ook een deelgenoot aan hun macht. Want door zo te handelen waren Diogenes en Heraclitus en diegenen die op hen lijken terecht goddelijk, en werden ze ook als zodanig genoemd.
Hoofdstuk Zestien.
Wanneer je een persoon ziet huilen van verdriet omdat een kind naar buiten gaat of omdat hij dood is, of omdat de man zijn eigendom heeft verloren, zorg dat de verschijning je niet meesleurt met het idee dat hij lijdt onder externe dingen. 10 Maar onderscheid onmiddellijk in je eigen geest en wees bereid om te zeggen: het is niet datgene wat is gebeurd dat deze man lijdt, want het doet een ander geen pijn, maar het is de mening over dit ding die de man lijdt. Voor zover woorden betreft, wees niet onwillig hem je mededogen te tonen, 11 en zelfs als het zich zo voordoet, treur samen met hem. Maar zorg dat je ook innerlijk niet treurt.
Hoofdstuk Zeventien.
Onthoud dat je een acteur bent in een toneelstuk, 12 van een soort zoals de leraar (auteur) 13 mag kiezen; als kort, in een korte; als lang, in een lange: als hij je wil dat je de rol van een arme man speelt, zorg dat je die rol natuurlijk speelt; als de rol van een kreupele man, van een magistraat, van een privépersoon, (doe hetzelfde). Want dit is je plicht, de rol die je gegeven wordt goed te spelen; maar het kiezen van de rol behoort tot een ander.
Hoofdstuk Achttien.
Wanneer een raaf ongunstig heeft gekraaid, laat de verschijning je niet meesleuren; maar onderscheid onmiddellijk in je geest en zeg: geen van deze dingen is voor mij betekenisvol, maar voor mijn arme lichaam, of voor mijn kleine eigendom, of voor mijn reputatie, of voor mijn kinderen of voor mijn vrouw: maar voor mij zijn alle tekenen gunstig als ik dat kies. Want welke van deze dingen zich ook voordoet, het staat in mijn macht om er voordeel uit te halen.
Hoofdstuk Negentien.
Je kunt onverslaanbaar zijn, als je in geen wedstrijd treedt waarin het niet in je macht ligt om te overwinnen. Zorg er dus voor dat je, wanneer je een man ziet die voor anderen wordt geëerd of grote macht bezit of om welke reden dan ook zeer wordt gerespecteerd, niet aanneemt dat hij gelukkig is, en laat je niet door de verschijning meeslepen. Want als de aard van het goede in onze macht ligt, zullen noch afgunst noch jaloezie in ons plaats hebben. Maar jij zelf zult niet willen generaal of senator of consul zijn, maar een vrij mens: en daar is maar één manier voor, namelijk geringschatten (niet geven om) de dingen die niet in onze macht liggen.
Hoofdstuk Twintig.
Onthoud dat het niet degene is die je scheldt of je slaat, die je beledigt, maar het is je mening over deze dingen als zijnde beledigend. Wanneer dus een man je boos maakt, moet je weten dat het je eigen mening is die je boos heeft gemaakt. Probeer je daarom vooral niet door de verschijning mee te laten slepen. Want als je eenmaal tijd wint en uitstel hebt, zul je jezelf gemakkelijker kunnen beheersen.
Hoofdstuk Tweeëntwintig.
Als je filosofie nastreeft, bereid jezelf van het begin af voor op bespotting, verwacht dat velen je zullen uitlachen en zeggen: Daar is hij ineens als filosoof bij ons teruggekomen; waar haalt hij deze hautaine blik vandaan voor ons? Toon zelf geen hautaine blik; maar houd vast aan de dingen die je het beste toeschijnen, als iemand die door God voor deze positie is aangesteld. En onthoud dat als je dezelfde principes aanhoudt, deze mannen die je eerst bespotten zullen je later bewonderen: maar als je door hen bent overwonnen, zul je jezelf dubbele bespotting op de hals halen.
Hoofdstuk Drieëntwintig.
Mocht het je ooit overkomen dat je je naar uiterlijkheden keert om iemand te behagen, dan moet je weten dat je je levensbestemming verloren hebt. Wees dan tevreden in alles met het zijn van een filosoof; en als je ook voor iemand wilt lijken te zijn een filosoof, verschijn dan als zodanig voor jezelf, en je zult daartoe in staat zijn.
Hoofdstuk Vierentwintig.
Laat deze gedachten je niet kwellen: Ik zal zonder eer leven en nergens iemand van betekenis zijn. Want als gebrek aan eer een kwaad is, kun je niet in het kwaad verkeren door schuld van een ander, net zo min als je in iets schandaligs betrokken kunt raken. Is het dan jouw taak om de rang van magistraat te verwerven, of om op een banket ontvangen te worden? Volstrekt niet. Hoe kan dit dan gebrek aan eer zijn? En hoe kun je nergens iemand van betekenis zijn, terwijl je iemand van betekenis behoort te zijn alleen in die dingen die in jouw macht liggen, waarin het je inderdaad is toegestaan de grootste waarde te hebben? Maar je vrienden zullen zonder hulp zijn! Wat bedoel je met zonder hulp? Ze zullen geen geld van je ontvangen, en je zult hen niet tot Romeins burgers maken. Wie heeft je dan gezegd dat dit onder de dingen valt die in onze macht liggen, en niet in de macht van anderen? En wie kan aan een ander geven wat hij zelf niet heeft? Vergaar dan geld, zeggen je vrienden, opdat ook wij iets hebben. Als ik geld kan vergaren en tegelijk mijn bescheidenheid, trouw en groothartighed kan behouden, wijs me dan de weg, en ik zal het vergaren. Maar als je me vraagt de goede dingen die van mij zijn op te geven, opdat jij de dingen die niet goed zijn kunt verkrijgen, zie dan hoe onrechtvaardig en dwaas je bent. Bovendien, wat zou je liever willen hebben: geld of een trouwe en bescheiden vriend? Daartoe help me dan veeleer om zo'n man te zijn, en vraag me niet om dit te doen waardoor ik dat karakter zal verliezen. Maar mijn vaderland, zeg je, zal zonder mijn hulp zijn, voor zover het van mij afhangt. Ik vraag je wederom: wat voor hulp bedoel je? Het zal geen galerijen of baden door jou krijgen. En wat betekent dit? Want het wordt niet voorzien van schoenen door een smid, noch van wapens door een schoenmaker. Maar het is genoeg als ieder man volledig zijn eigen werk vervult: en als je het van nog een burger voorzag die trouw en bescheiden is, zou je er dan niet nuttig voor zijn? Ja. Dan kun je er ook niet nutteloos voor zijn. Welke plaats zal ik dan in de stad innemen, zeg je? Welke je kunt, als je tegelijk je trouw en bescheidenheid behoudt. Maar als je, wanneer je nuttig voor de staat wilt zijn, deze kwaliteiten verliest, wat nut zou je ervan kunnen zijn, als je schanteloos en trouweloos werd?

